Hoogbegaafdheid bij volwassenen
Hoogbegaafdheid is geen getal
Als ik met iemand spreek over hoogbegaafdheid, merk ik vrijwel altijd dat het eerste wat opkomt een IQ-score is, een grens van 130, een uitslag van een test, een label dat ooit werd toegekend of juist nooit is toegekend terwijl het gevoel dat er iets anders is al zolang aanwezig is als iemand zich kan herinneren.
Maar hoogbegaafdheid is voor mij geen getal en ook geen diagnose en ook geen eigenschap die je hebt of niet hebt, het is een manier van zijn die zich niet laat vangen in een score en die pas echt zichtbaar wordt op het moment dat iemand zich veilig genoeg voelt om zichzelf volledig te laten zien, inclusief alles wat lange tijd is ingeslikt, afgeschermd of weggestopt.
Wat ik in mijn praktijk zie is bijna nooit de kern van hoogbegaafdheid direct, wat ik zie zijn de lagen die er overheen zijn gegroeid in de jaren dat iemand heeft geprobeerd te passen, te functioneren, erbij te horen en te voldoen aan wat de omgeving vroeg, terwijl die omgeving nooit volledig kon spiegelen wie iemand werkelijk was.
Perfectionisme is dan geen talent maar een manier om fouten te voorkomen, een hoge lat is geen kwaliteit maar een poging om niet opnieuw tekort te schieten, aanpassen is geen sociale vaardigheid maar een overlevingsstrategie die op een gegeven moment zo vanzelfsprekend is geworden dat iemand zelf niet meer ziet dat hij het doet.
Maar onder die lagen is de kern altijd aanwezig gebleven, onveranderd, wachtend op ruimte. Wachtend op veiligheid.
Het Delphi-model: hoogbegaafdheid van binnenuit beschreven
In 2007 kwamen twintig mensen bij elkaar die allemaal hoogbegaafd waren en allemaal werkten met hoogbegaafden, en ze stelden zichzelf een vraag die eigenlijk zelden wordt gesteld in de wereld van onderzoek en diagnostiek: wie zijn wij eigenlijk?
Niet wat kunnen we, niet wat presteren we, niet hoe scoren we op een test, maar wie zijn we als mensen, hoe ervaren we de wereld, wat beweegt ons, wat voelen we, wat willen we?
Het resultaat van dat gesprek werd het Delphi-model hoogbegaafdheid, en de omschrijving die eruit voortkwam is voor mij nog steeds de meest eerlijke en herkenbare beschrijving van wat hoogbegaafdheid werkelijk is: een hoogbegaafde is een snelle en slimme denker die complexe zaken aankan, autonoom, nieuwsgierig en gedreven van aard, een sensitief en emotioneel mens, intens levend, die plezier schept in creëren.
Wat het Delphi-model onderscheidt van alle andere definities is dat het existentieel is, het beschrijft niet alleen wat hoogbegaafden kunnen maar wie ze zijn, in hun zijn, hun denken, hun voelen, hun willen, hun waarnemen en hun doen, en het erkent dat die facetten niet los van elkaar bestaan maar voortdurend met elkaar in wisselwerking zijn.
Het model beschrijft zes dimensies: zijn, dat staat voor autonomie en een sterk gevoel van eigenheid, denken, dat staat voor hoogintelligentie en het vermogen om snel en diep te verwerken, voelen, dat staat voor een rijkgeschakeerde emotionele binnenwereld, willen, dat staat voor een gedreven, nieuwsgierige innerlijke motor, waarnemen, dat staat voor hoogsensitiviteit en het scherp opvangen van signalen uit de omgeving, en doen, dat staat voor creativiteit en een diepgewortelde behoefte om te creëren en te scheppen.
Samen vormen deze zes dimensies een beeld van iemand die intens leeft, diep voelt, snel verwerkt, sterk autonoom is en van nature voortdurend op zoek is naar betekenis, verbinding en ruimte om te creëren.
Maar wat het Delphi-model beschrijft is de kern van hoogbegaafdheid, de manier van zijn die er altijd al was en er altijd zal zijn en wat ik in de praktijk bijna nooit als eerste zie is die kern, want die zit vaak diep onder lagen van aanpassing, bescherming en overtuigingen die ooit nodig waren maar dat vandaag niet meer altijd zijn.

Wat er gebeurt als de omgeving de kern niet kan dragen
Een hoogbegaafd kind is intens, het voelt scherp, denkt snel, ziet meer lagen dan de mensen om het heen, stelt vragen die niemand verwacht, raakt ontroerd door dingen die anderen nauwelijks opvallen, en heeft een diepgewortelde behoefte aan verbinding, eerlijkheid en ruimte om te zijn wie het is.
Maar wat er in de praktijk vaak gebeurt is dat die intensiteit niet altijd wordt ontvangen als kracht, als gave, als iets wat prachtig en waardevol is, maar als te veel, als lastig, als afwijkend van de norm, en dus leert een hoogbegaafd kind al vroeg om zichzelf in te houden, om minder te zijn, om te passen, om de omgeving niet te overladen met wie het werkelijk is.
Thuis kan dit gebeuren wanneer ouders de intensiteit van hun kind niet herkennen of er geen raad mee weten, niet vanuit onwil maar vaak gewoon omdat ze het zelf niet kennen, en op school bevestigt een omgeving die is ingericht op het gemiddelde hetzelfde gevoel, want wie te snel gaat wordt afgeremd, wie te veel vragen stelt wordt gevraagd rustig te zijn, wie te diep voelt wordt gezegd dat het overdreven is.
En zo nestelt zich diep vanbinnen een overtuiging die niemand hardop heeft uitgesproken maar die een hoogbegaafde toch heeft geleerd: er is geen plek voor wie ik werkelijk ben.
Wat ik in mijn praktijk zie bij vrijwel alle hoogbegaafde volwassenen die bij me komen is dat zij al jarenlang leven vanuit die overtuiging, dat zij hebben geleerd zichzelf kleiner te maken, minder zichtbaar te zijn, hun gedachten en gevoelens te filteren voordat ze iets zeggen, altijd te checken of wat ze voelen klopt of dat ze het misschien overdrijven, en dat al die energie die daarin gaat zitten energie is die niet meer beschikbaar is voor wat ze werkelijk willen: denken, voelen, creëren, verbinden, groeien.
Dabrowski en de vijf overexcitabilities
De Poolse psychiater en psycholoog Kazimierz Dabrowski beschreef in de twintigste eeuw iets wat hij psychische overexcitability noemde, en zijn werk is voor mij een van de meest treffende beschrijvingen van wat het betekent om hoogbegaafd te zijn op een niveau dat verder gaat dan intelligentie alleen.
Dabrowski observeerde dat sommige mensen van nature een veel hogere mate van psychische prikkelbaarheid hebben dan anderen, niet als stoornis, niet als probleem, maar als aangeboren eigenschap die betekent dat zij de wereld intenser ontvangen, dieper verwerken, sterker voelen en met meer intensiteit reageren op alles wat zij meemaken.
Hij onderscheidde vijf vormen van die overexcitability, en wie ze leest herkent daarin vrijwel direct het profiel van een hoogbegaafde.
De eerste is psychomotorische overexcitability, die zich uit in een enorme hoeveelheid energie, een behoefte aan beweging en actie, een hoofd dat voortdurend aanstaat, soms moeite met stilzitten of ontspannen, en een neiging om te bewegen vanuit impuls en enthousiasme, waarbij het lichaam de innerlijke intensiteit als het ware probeert te uiten in beweging.
De tweede is sensorische overexcitability, die zich uit in een verhoogde gevoeligheid voor zintuiglijke prikkels, waarbij geluiden harder binnenkomen dan bij anderen, licht intenser wordt ervaren, geuren sterker zijn, aanraking meer wordt gevoeld, en de sensorische omgeving als overweldigend kan worden wanneer er te veel prikkels tegelijk zijn.
De derde is intellectuele overexcitability, die zich uit in een diepgewortelde leerhonger, een behoefte om te begrijpen en te analyseren, een natuurlijke neiging om verbanden te leggen tussen ogenschijnlijk ongerelateerde dingen, een voorliefde voor complexiteit en abstractie, en een gevoel van ongemak wanneer iemand gedwongen wordt om oppervlakkig te blijven in een gesprek of een taak terwijl het brein al veel verder is en wil gaan.
De vierde is psychische overexcitability in de zin van verbeelding en fantasie, die zich uit in een levendige innerlijke wereld, het vermogen om diep op te gaan in verhalen, muziek, kunst en ideeën, een sterke neiging tot dromen en fantaseren, en een intense beleving van alles wat de verbeelding raakt, waarbij de grens tussen wat gevoeld en wat verzonnen is soms dun kan zijn.
De vijfde en misschien meest kenmerkende voor hoogbegaafde volwassenen die bij mij komen is psycho-emotionele overexcitability, die zich uit in een intense emotionele beleving van alles wat iemand meemaakt, een sterk empathisch vermogen, een diep gevoel van verantwoordelijkheid voor anderen en voor de wereld, een intense reactie op onrecht, een scherp geweten, en een manier van verbinden met andere mensen die verder gaat dan oppervlakkigheid, waarbij echte verbinding voelt als een existentiële noodzaak en de afwezigheid ervan als een even existentieel gemis.
Wat Dabrowski begreep en wat mij raakt in zijn werk is dat hij al deze vormen van intensiteit niet zag als tekortkomingen, maar als potentieel, als aanwijzingen dat er een rijke binnenwereld aanwezig is die vraagt om ruimte, erkenning en de juiste omgeving om tot zijn recht te komen.
Positieve desintegratie: de weg door de pijn heen
Naast de overexcitabilities beschreef Dabrowski ook een theorie over persoonlijkheidsontwikkeling die hij positieve desintegratie noemde, en ook die theorie is voor mij in mijn praktijk van grote waarde gebleken.
De kern van zijn gedachte is dat echte persoonlijkheidsgroei niet lineair verloopt en ook niet altijd aangenaam is, maar dat het juist de momenten van crisis, ontreddering, twijfel en pijn zijn die de motor vormen achter een diepere, meer authentieke manier van leven.
Dabrowski beschreef vijf niveaus van ontwikkeling, en de beweging van het ene naar het andere niveau gaat niet vanzelf en ook niet zonder wrijving, maar vraagt om het loslaten van oude overtuigingen, patronen en manieren van zijn die ooit functioneel waren maar dat op een gegeven moment niet meer zijn.
Op het eerste niveau functioneert iemand vanuit wat de omgeving vraagt, vanuit sociale normen, verwachtingen en aanpassing, en er is weinig innerlijke spanningsruimte, want wie zo leeft past zich aan en overleeft.
Op het tweede niveau begint er iets te bewegen, er ontstaat innerlijke spanning, een gevoel dat het zo niet meer kan, een toenemend bewustzijn van de kloof tussen wie iemand is en wie iemand heeft geleerd te zijn, en dat is niet aangenaam, het gaat gepaard met crisis, angst, ontreddering en soms een diep gevoel van verloren zijn.
Op het derde en vierde niveau begint de persoonlijkheid zich te herorganiseren vanuit een diepere, meer authentieke kern, waarbij externe normen en verwachtingen steeds minder leidend worden en de eigen waarden, het eigen geweten en de eigen innerlijke stem steeds meer het kompas vormen.
Op het vijfde niveau ten slotte beschreef Dabrowski een staat van secundaire integratie, waarin iemand volledig leeft vanuit de eigen authentieke kern, in volledige verbinding met zichzelf en met de wereld om zich heen, en dit niveau achtte hij zeldzaam maar bereikbaar voor mensen met een hoge mate van psychische intensiteit, met andere woorden voor hoogbegaafden.
Wat mij zo raakt in Dabrowski's werk is zijn centrale overtuiging dat de crisis niet het probleem is maar de doorgang, dat de pijn van desintegratie niet iets is om zo snel mogelijk op te lossen maar iets om doorheen te gaan, omdat het aan de andere kant van die pijn is dat iemand zichzelf werkelijk terugvindt.
En dat is precies wat ik zie in mijn praktijk, dat de momenten waarop het het zwaarst is, waarop iemand het meeste moeite heeft om te functioneren, soms juist de momenten zijn waarop het herstel is begonnen, waarop er eindelijk genoeg veiligheid is om te voelen wat jarenlang geen plek heeft gehad, en dat wat van buitenaf uitziet als achteruitgang van binnenuit het begin kan zijn van de weg omhoog.
Hoogbegaafdheid en het zenuwstelsel
Iets wat in veel beschrijvingen van hoogbegaafdheid weinig aandacht krijgt maar wat ik in mijn praktijk als een van de meest bepalende factoren zie is de rol van het zenuwstelsel, want een hoogbegaafd zenuwstelsel is naar mijn visie van nature anders georganiseerd dan een gemiddeld zenuwstelsel en verwerkt prikkels, emoties en informatie op een manier die fundamenteel verschilt van wat de meeste omgevingen op zijn gebouwd.
Wat dit in de praktijk betekent is dat veel hoogbegaafde volwassenen niet alleen overprikkeld kunnen raken door externe prikkels maar ook door interne prikkels, door te veel gedachten tegelijk, door emoties die intens binnenkomen voordat ze verwerkt kunnen worden, door het voortdurende bewustzijn van meerdere lagen in een gesprek of situatie tegelijk, en door de kloof tussen wat ze innerlijk weten of voelen en wat er om hen heen daadwerkelijk wordt uitgesproken of erkend. Het aanpassen, het beschermen.
Wanneer een hoogbegaafde jarenlang in een omgeving heeft geleefd die zijn of haar manier van zijn niet kon dragen, leert het zenuwstelsel dat de omgeving niet veilig is, en begint het voortdurend te scannen op gevaar, op afwijzing, op signalen dat er iets fout gaat, en dat kost enorme hoeveelheden energie, want een zenuwstelsel dat in overleven staat kan niet tegelijkertijd volledig aanwezig zijn, leren, verbinden en creëren.
Wat ik dan ook vaak hoor van hoogbegaafde volwassenen is niet alleen dat ze zich onbegrepen voelen maar ook dat ze uitgeput zijn, dat ze niet weten waarom ze zo moe zijn terwijl ze soms niet eens zoveel doen, dat ze het gevoel hebben dat ze voortdurend hun best moeten doen om te functioneren terwijl het voor anderen zo moeiteloos lijkt te gaan, en dat gevoel van uitputting is geen zwakte maar de logische uitkomst van een zenuwstelsel dat jarenlang hard heeft gewerkt om te overleven in een omgeving die niet aansloot.
Waar ik naar kijk in mijn praktijk
Als ik met iemand werk kijk ik niet naar wat er mis is of wat er moet worden opgelost, want ik geloof niet dat er iets mis is, ik kijk naar wat iemand heeft moeten ontwikkelen om te kunnen blijven functioneren in een omgeving die zijn of haar manier van zijn niet volledig kon dragen, en ik kijk naar wat er onder die bescherming nog steeds aanwezig is en altijd aanwezig is gebleven.
Ik kijk naar het systeem waarin iemand is opgegroeid, naar de patronen die generaties lang zijn doorgegeven, naar de loyaliteiten die iemand heeft opgebouwd aan mensen en omgevingen die misschien nooit de bedding konden bieden die er nodig was, en naar wat het heeft betekend voor de identiteitsontwikkeling om zo lang te hebben moeten aanpassen.
Ik kijk ook naar het lichaam, want wat niet in woorden kan worden uitgedrukt wordt opgeslagen in het lichaam, en een zenuwstelsel dat lang in overlevingsstand heeft gestaan heeft tijd, ruimte en veiligheid nodig om weer te kunnen landen.
En ik kijk naar de kern, naar wat er altijd al aanwezig was onder alle lagen, naar de intense nieuwsgierigheid, de diepgewortelde behoefte aan verbinding, het scherpe waarnemen, de levendige innerlijke wereld, het verlangen om te creëren en te begrijpen en te betekenen.
Hoogbegaafdheid wordt voor mij pas echt zichtbaar op het moment dat iemand zich veilig genoeg voelt om de beschermingslagen los te laten en zichzelf weer te laten zien, niet omdat iemand dat vraagt maar omdat het eindelijk kan, niet om te veranderen wie iemand is maar om terug te keren naar wat altijd al van hem of haar was.
Wat dit betekent voor begeleiding
Wanneer iemand bij mij komt is mijn eerste vraag nooit wat er mis is, maar wie iemand is, wat iemand heeft meegemaakt, wat iemand heeft geleerd te doen om te overleven en wat er mogelijk is wanneer er ruimte ontstaat om dat los te laten.
Ik werk systemisch, wat betekent dat ik niet alleen naar de persoon kijk maar ook naar het systeem waarbinnen die persoon is gevormd, naar het gezin van herkomst, de school, de omgeving, de generaties die zijn voorafgegaan, en naar wat er in die systemen is meegedragen dat misschien nooit van de persoon zelf was maar dat wel als zodanig is gaan voelen.
En ik werk vanuit een diep respect voor wie iemand is en voor alles wat iemand heeft gedaan om hier te komen, want wie bij mij komt heeft jarenlang gedragen wat misschien nooit van hem of haar was, heeft zich aangepast op manieren die enorme energie hebben gekost, heeft geprobeerd te passen in vormen die nooit zijn gebouwd voor wie hij of zij werkelijk is.
Dat verdient erkenning, geen oplossing.
En vanuit die erkenning, vanuit het besef dat er niets mis is maar dat er iets heeft gemist, dat er ruimte had moeten zijn die er niet was, begint soms langzaam de beweging terug naar wie iemand altijd al was. En dat voelt dan steeds meer als thuiskomen.
