Hoogbegaafdheid bij kinderen
Waar gaat deze pagina over?
Deze pagina gaat over hoogbegaafdheid bij kinderen, waarbij ik niet alleen kijk naar intelligentie, prestaties of de kenmerken die we inmiddels kennen, maar vooral naar hoe een hoogbegaafd kind georganiseerd is, hoe het informatie binnenkrijgt en verwerkt, hoeveel het soms al ziet en begrijpt van de wereld om zich heen en wat er gebeurt wanneer de cognitieve mogelijkheden, gevoeligheid, emotionele ontwikkeling, behoefte aan autonomie en afhankelijkheid van volwassenen allemaal tegelijkertijd aanwezig zijn.
Want een kind dat ontzettend veel begrijpt, is nog steeds een kind.
En juist dat vind ik misschien wel één van de belangrijkste uitgangspunten wanneer we naar hoogbegaafde kinderen kijken.
Een kind kan begrijpen waarom mensen oorlog voeren, zich afvragen wat er na de dood gebeurt, doorhebben dat volwassenen elkaar tegenspreken, zien dat een regel niet logisch is, spanning tussen mensen waarnemen waar niemand over praat en tegelijkertijd volledig ontregeld raken omdat zijn moeder boos kijkt, een vriendje niet wil spelen of iets anders loopt dan het in zijn hoofd had bedacht.
Die dingen spreken elkaar niet tegen, het is een kind met een groot bereik. Ze kunnen juist tegelijkertijd bestaan.
Welk antwoord geeft deze bron?
Binnen mijn visie wordt hoogbegaafdheid bij kinderen niet gezien als verklaring voor ieder gedrag of probleem, maar als één van de factoren die mede bepaalt hoe een kind zijn omgeving waarneemt, verwerkt en zich ertoe verhoudt.
Daarbij kijk ik naar cognitieve ontwikkeling, hoge gevoeligheid, intensiteit, hechting, autonomie, co-regulatie, zelfbeeld, overtuigingen, beschermingsmechanismen en de omgeving waarin een kind probeert op te groeien, waarbij voor mij niet alleen belangrijk is hoeveel een kind kan begrijpen, maar ook hoeveel informatie er daardoor binnenkomt waar het emotioneel nog niet zelfstandig mee om hoeft te kunnen gaan.
Daar raken voor mij mijn eigen visie, het Delphi-model, Dąbrowski en het ontwikkelings- en hechtingsgerichte gedachtegoed van Gordon Neufeld elkaar, zonder dat ik deze modellen daarmee aan elkaar gelijkstel.
Wie is verantwoordelijk voor deze visie?
Deze visie is geschreven en ontwikkeld door Susan van Veen Fransen, psychosociaal therapeut, kindertherapeut en relatietherapeut, vanuit mijn therapeutische werk met hoogbegaafde kinderen, volwassenen en ouders en mijn bredere werk binnen HB in Verbinding rondom hoogbegaafdheid, identiteit, autonomie en verbinding.
Daarbij gebruik ik bestaande theoretische kaders niet om een kind opnieuw in een hokje te plaatsen, maar om beter te kunnen begrijpen wat er onder zichtbaar gedrag gebeurt.
Een hoogbegaafd kind neemt niet alleen meer leerstof op
Als we praten over hoogbegaafde kinderen, gaat het ontzettend snel over school. Een kind leert snel, heeft minder herhaling nodig, kan complexere leerstof aan, heeft verrijking nodig of moet misschien versnellen. Allemaal belangrijk. Maar daarmee hebben we nog maar een heel klein stukje van het kind gezien.
Want wat als dat snelle denken niet alleen aangaat wanneer er een rekensom op tafel ligt? Wat als datzelfde hoofd ook aanstaat wanneer ouders ruzie hebben, wanneer het journaal over oorlog gaat, wanneer een klasgenoot buitengesloten wordt, wanneer een leerkracht iets zegt wat niet overeenkomt met wat hij gisteren zei of wanneer een kind ineens beseft dat zijn ouders ooit dood zullen gaan?
Dan wordt cognitieve ontwikkeling ineens veel groter dan leren.
Het betekent ook dat je dingen kunt doorhebben. En doorhebben betekent nog niet dat je er emotioneel iets mee kunt. Dat onderscheid vind ik ontzettend belangrijk. Je kunt iets begrijpen zonder het te kunnen dragen, omdat je nog maar een kind bent. Een hoogbegaafd kind kan cognitief ergens woorden aan geven die veel ouder klinken dan zijn kalenderleeftijd, waardoor wij gemakkelijk denken dat het kind er dus ook zelfstandig mee om kan gaan. Maar draagkracht staat niet gelijk aan de emotionele ontwikkeling. Het gaat sociale dynamieken doorhebben, de emoties ervaren van een volwassene, maar de regulatie van zijn kalenderleeftijd. Het is daarom echt belangrijk om alle bovengenoemde factoren te benoemen.
Een paar voorbeelden:
- Misschien begrijpt een kind precies waarom zijn ouders gaan scheiden en kan het zelfs beide perspectieven uitleggen, terwijl het 's avonds ontzettend bang is dat papa of mama weggaat.
- Misschien begrijpt het hoe de dood biologisch werkt en wordt het juist daardoor bang dat zijn moeder kan overlijden.
- Misschien begrijpt het waarom een leerkracht een bepaalde beslissing neemt en voelt het tegelijkertijd diep dat die beslissing niet eerlijk is.
- Misschien ziet het precies dat mama gespannen is terwijl mama zegt dat er niets aan de hand is.
Dan komt er ontzettend veel informatie binnen.
Niet alleen door wat mensen zeggen, maar ook door verbanden, gezichtsuitdrukkingen, tegenstrijdigheden, sfeer, patronen en alles wat het kind zelf vervolgens aan elkaar knoopt. Daarom vind ik hoge gevoeligheid bij hoogbegaafdheid zo'n belangrijk onderwerp. Hoge gevoeligheid gaat voor mij verder dan last hebben van een labeltje in je trui.
Binnen het Delphi-model wordt sensitief waarnemen onderdeel van het bredere beeld van hoogbegaafdheid: de snelle, complexe manier van denken staat niet los van waarnemen, voelen, willen en handelen.
Dat vind ik belangrijk.
Want wanneer een kind meer informatie waarneemt én daar vervolgens razendsnel verbanden tussen legt, kan de wereld behoorlijk groot binnenkomen.
Gordon Neufeld kijkt vanuit zijn ontwikkelings- en hechtingsgerichte benadering veel naar gevoelige kinderen en naar wat er gebeurt wanneer er meer prikkels binnenkomen dan een kind op dat moment kan verwerken. Binnen zijn benadering zijn sterke gehechtheidsrelaties juist voor gevoelige kinderen belangrijk, omdat veiligheid, relatie en ontwikkeling niet los van elkaar staan.
Een kind dat veel doorheeft, heeft niet automatisch minder bescherming nodig van volwassenen. Misschien heeft het op sommige momenten juist méér bescherming nodig tegen alles wat het al kan doorhebben. Niet door de wereld voor het kind te verstoppen, maar door ervoor te zorgen dat het die wereld niet alleen hoeft te dragen.
Daar komt co-regulatie voor mij om de hoek kijken; want een kind hoeft zichzelf niet volledig te kunnen reguleren. Dat verwachten we tegenwoordig soms wel ontzettend snel. Een kind wordt boos, raakt overspoeld, schreeuwt, gooit iets weg of loopt weg en vervolgens zeggen we dat het moet leren zijn emoties te reguleren.
Maar regulatie ontwikkelt zich niet los van relatie. Een kind leert niet omgaan met grote emoties doordat wij op het moment dat het overspoeld raakt nóg meer van zijn cognitieve systeem vragen.
- Waarom deed je dat?
- Wat had je anders kunnen doen?
- Welke keuze ga je de volgende keer maken?
- Een hoogbegaafd kind kan daar misschien zelfs prachtige antwoorden op geven.
En vervolgens morgen precies hetzelfde doen.
Cognitief begrijpen is namelijk iets anders is dan het op een overspoeld moment kunnen gebruiken.
Dan wil ik veel liever weten wat er vóór het gedrag gebeurde.
Wat kwam er binnen? Wat zag het kind? Wat begreep het? Waar ontstond spanning? Hoe lang heeft het zich al aangepast? Welke verwachting werd doorbroken? Was er voldoende veiligheid? Was het kind moe? Hoeveel heeft het die dag al moeten verwerken?
Gedrag is zichtbaar. Maar gedrag is niet automatisch de verklaring. Intensiteit is niet hetzelfde als slechte emotieregulatie
Daar vind ik Dąbrowski ontzettend interessant: binnen zijn ontwikkelingstheorie beschreef hij vijf vormen van overexcitability: intellectueel, emotioneel, imaginatief, psychomotorisch en zintuiglijk. Onderzoek naar hoogbegaafde kinderen heeft deze intensiteiten ook bij jonge hoogbegaafde kinderen beschreven, al moeten we voorzichtig zijn om overexcitabilities simpelweg gelijk te stellen aan hoogbegaafdheid.
Wanneer een kind ontzettend veel voelt, voortdurend vragen stelt, eindeloos nadenkt, een enorme fantasiewereld heeft, lichamelijk ontzettend veel energie laat zien of sterk reageert op geluid, aanraking of andere prikkels, kunnen we onmiddellijk gaan kijken naar wat er niet goed gereguleerd wordt.
Maar we kunnen eerst ook vragen: Hoe intens komt deze wereld bij dit kind binnen? Dat verandert het gesprek, want intensiteit is niet automatisch ontregeling. En een intense reactie betekent niet automatisch dat er iets mis is met de emotionele ontwikkeling van een kind.
Soms komt er simpelweg ontzettend veel binnen.
Dąbrowski zag dergelijke intensiteiten bovendien niet uitsluitend als kwetsbaarheid, maar ook als onderdeel van ontwikkelingspotentieel. In onderzoek naar hoogbegaafde kinderen worden onder andere intellectuele, emotionele en imaginatieve intensiteiten beschreven. Maar dan moeten we intensiteit ook niet romantiseren, want hier vind ik een belangrijke nuance nodig.
- Niet iedere heftige reactie is hoogbegaafdheid.
- Niet iedere gevoeligheid is een overexcitability.
- Niet iedere vorm van ontregeling betekent dat een kind zich op een bijzonder hoog ontwikkelingsniveau bevindt.
En een kind dat werkelijk vastloopt heeft niet alleen iemand nodig die zegt dat zijn intensiteit een kracht is.
We moeten blijven kijken naar het individuele kind.
Wat is temperament? Wat hoort bij ontwikkeling? Wat speelt er binnen hechting en veiligheid? Is er sprake van langdurige overbelasting? Welke andere factoren spelen mee? En sluit de omgeving voldoende aan?
Hoogbegaafdheid mag geen verklaring worden waarmee we vervolgens niet meer naar het kind zelf kijken.
Het kind dat de wereld doorheeft
Er zit nog iets anders wat ik bij hoogbegaafde kinderen ontzettend interessant vind. Ze kunnen soms veel eerder dan wij verwachten doorhebben hoe systemen werken. Doorhebben dat grote mensen elkaar tegenspreken, fouten maken, dingen niet weten en soms zelf regels volgen waarvan ze niet precies weten waarom ze bestaan. Begrijpen hoe de dynamiek tussen de mensen werkt, begrijpen dat de verantwoordelijke ouder of leerkracht geen draagkracht voor hem heeft.
Dat kan een enorme cognitieve ontwikkeling zijn, maar het kan tegelijkertijd veiligheid raken. Want de wereld wordt ingewikkelder wanneer je ontdekt dat degene die jou veiligheid moet geven niet alles weet en niet alles kan voorkomen. En daar zie ik opnieuw waarom cognitieve ontwikkeling en emotionele afhankelijkheid tegelijkertijd begrepen moeten worden: het kind kan de constructie doorzien en tegelijkertijd de volwassene nodig hebben die hem binnen die constructie veiligheid geeft.
Autonomie betekent bij een kind niet dat we het loslaten
Misschien wel één van de grootste misverstanden rondom hoogbegaafde kinderen, omdat een kind zelfstandig denkt, denken we soms dat we het ook zelfstandig moeten laten functioneren.
Autonomie en onafhankelijkheid zijn niet hetzelfde.
Een kind kan een enorme behoefte hebben om zelf na te denken, zelf betekenis te geven, vragen te stellen, invloed te ervaren en te begrijpen waarom iets gebeurt, terwijl het tegelijkertijd heel veel behoefte heeft aan een volwassene die stevig genoeg staat om de verantwoordelijkheid te dragen. Sterker nog, misschien ontstaat juist vanuit die veiligheid meer ruimte voor autonomie. Want,
- Als ik erop kan vertrouwen dat jij de volwassene bent, hoef ik niet voortdurend alles zelf te overzien.
- Als ik erop kan vertrouwen dat jij mijn emoties aankunt, hoef ik ze niet eerst kleiner te maken.
- Als ik erop kan vertrouwen dat jij niet verdwijnt wanneer ik boos word, hoef ik de relatie niet voortdurend te bewaken.
- Als jij kunt verdragen dat ik anders denk dan jij, hoef ik niet te kiezen tussen mezelf en onze verbinding.
Daar komt Neufeld weer: ontwikkeling vindt plaats vanuit relatie en veiligheid, en juist bij gevoelige kinderen kan die relatie een belangrijke buffer vormen wanneer de wereld heel sterk binnenkomt. Aanpassen begint ontzettend jong, een hoogbegaafd kind heeft vaak heel snel door wat er van hem verwacht wordt. En dat is niet alleen een voordeel.
Wanneer je snel kunt begrijpen hoe een groep werkt, kun je ook snel begrijpen wat je moet doen om onderdeel van die groep te blijven.
- Je steekt je vinger minder vaak op.
- Je stelt die vraag maar niet meer.
- Je doet alsof je iets nog niet weet.
- Je lacht mee.
- Je probeert minder boos te worden.
- Je gaat extreem goed presteren.
- Je haakt juist volledig af.
En vervolgens kijken wij naar het gedrag dat daaruit ontstaat en proberen we dát te veranderen. Maar wat we eigenlijk willen weten is:
- Waar heeft dit kind geleerd dat het zichzelf moet aanpassen?
- Wat probeert het te behouden?
- Waar beschermt het zich tegen?
- Wat gebeurt er wanneer het wél volledig laat zien wat het denkt, voelt of nodig heeft?
Ook bij kinderen zijn beschermingsmechanismen voor mij daarom niet simpelweg het probleem.
Bescherming is de boodschapper.
Een hoogbegaafd kind hoeft niet beter binnen de lijntjes te leren kleuren
Dat betekent niet dat een hoogbegaafd kind geen grenzen nodig heeft, voor een gevoel van veiligheid is dit juist wel.
- Een kind mag boos zijn en toch niet iemand slaan.
- Een kind mag een regel onlogisch vinden en hoeft daarom niet alles zelf te bepalen.
- Een kind mag een leerkracht inhoudelijk doorhebben en die leerkracht blijft nog steeds de volwassene die verantwoordelijkheid draagt.
Maar er zit verschil tussen grenzen geven en een kind leren zichzelf kleiner te maken. Want als wij ieder gedrag dat buiten de norm valt onmiddellijk proberen terug te brengen naar de norm, kunnen we uiteindelijk precies datgene onderdrukken wat later een enorme kracht kan zijn.
Want uiteindelijk wil ik bij een hoogbegaafd kind niet alleen weten hoeveel het kan. Ik wil weten hoeveel het binnenkrijgt, wat het daarvan begrijpt, wat het nog niet kan dragen, waar het zichzelf probeert aan te passen, waar bescherming ontstaat, hoeveel ruimte het ervaart om zichzelf te zijn en of er volwassenen omheen staan die niet alleen zijn intelligentie begrijpen, maar ook het kind daaronder blijven zien.
Een kind dat misschien ontzettend veel van de wereld doorheeft, maar die wereld nog helemaal niet alleen hoeft te dragen.
Het doel moet niet zijn dat een kind leert hoe het beter passend wordt binnen onze wereld, maar begrijpen hoe die wereld bij dit specifieke kind binnenkomt, wat het ermee doet en wat het van ons nodig heeft om vanuit voldoende veiligheid steeds meer zichzelf te kunnen worden.
